Dierproeven en jouw gezondheid

Orgaantransplantaties


Orgaantransplantaties hebben wereldwijd de kwaliteit van het leven van miljoenen mensen verbeterd en verlengd. In Nederland doen we vooral niertransplantaties. De reden hiervoor is dat ernstig zieke patiënten dankzij nierdialyse lang genoeg leven om op een donornier te wachten. Bovendien bieden tegenwoordig ook steeds meer mensen zich als levende donor van een nier aan. Bij andere ernstige orgaanaandoeningen is dit meestal onmogelijk. Hart, lever of longen transplanteren we daarom minder vaak dan nieren. Dierproeven hebben de techniek van orgaantransplantaties mogelijk gemaakt. Het gebruik van dieren als orgaandonor (xenotransplantatie) staat nog in de kinderschoenen, omdat het hierbij veel moeilijker is om donor en ontvanger te matchen.

Waarom dierproeven?

Dierproeven helpen de kans op succes bij transplantaties te vergroten. We onderzoeken de mogelijkheid om organen van dieren, of levende cellen van dieren, te transplanteren naar mensen. Dit zou in de verre toekomst een oplossing kunnen zijn voor het tekort aan geschikte orgaandonoren.

Wat is het resultaat van dierproeven?

Onderzoek met proefdieren heeft het volgende opgeleverd:

  • Succesvol transplanteren
    De eerste succesvolle transplantatie was die van het hoornvlies, in 1906. Hieraan was onderzoek met konijnen en mensen voorafgegaan. Het hoornvlies kan relatief gemakkelijk worden getransplanteerd, omdat het geen bloedvaatjes heeft. De witte bloedlichaampjes die ‘indringers’ te lijf gaan, kunnen het vlies niet bereiken en daarom volgt er geen afstotingsreactie. Een vergelijkbaar resultaat werd geboekt met hartkleppen van varkens die zó worden bewerkt dat ze geen afweerreactie bij mensen oproepen. Deze hartkleppen zijn sinds de jaren zeventig op grote schaal gebruikt.
  • Vroegere ontwikkelingen
    Twee ontwikkelingen in de jaren vijftig hebben tot een doorbraak van orgaan- en beenmergtransplantaties geleid. Ten eerste zijn in onderzoeken met dieren, onder andere apen, geneesmiddelen ontwikkeld die het afweersysteem onderdrukken. De tweede doorbraak was de mogelijkheid om te bepalen of een orgaan op basis van bepaalde genen immunologisch zo goed mogelijk bij de ontvanger past.

Deel deze pagina