Proefdieren

Leven van een proefdier

De meeste proefdieren verblijven in laboratoria. Dieren worden ook bestudeerd in hun eigen leefomgeving, zo krijgen vogels bijvoorbeeld een zendertje om de jaarlijkse vogeltrek te bestuderen. Soms doen we onderzoek naar dieren op een boerderij.


Proefdieren en pijn

In Nederland spreken we bij dierproeven niet over pijn, maar ov ‘ongerief’. Daarmee bedoelen we meer dan pijn. Ook stress, alleen-zijn, angst en ziekte worden meegerekend. Sinds 2014 moeten de onderzoekers volgens de wet het ongerief classificeren als licht, matig of ernstig. Dieren die zonder voorafgaande handeling onder verdoving gedood worden, moeten worden geregistreerd als terminaal onder anesthesie. Verfijning van dierproeven, één van de 3V’s is erop gericht om het ongerief voor proefdieren te verminderen. En hun welzijn zo veel mogelijk te bevorderen. Hierbij kun je denken aan pijnbestrijding en kooiverrijking. Verfijning is van belang tijdens de hele levenscyclus, niet alleen tijdens de proef. In 2020 was er bij 61,3% van de dierproeven sprake van licht ongerief, voornamelijk bij muizen en ratten. Ernstig ongerief kwam voor bij 0,9% van de dierproeven.

Na de proef

De dieren die na het einde van een proef in leven zijn gelaten, kunnen indien mogelijk worden ingezet bij een volgende proef. Sommige dieren worden na gebruik in een proef herplaatst op een voor hen geschikte locatie; apen kunnen bijvoorbeeld naar Stichting Aap en honden naar een gezin.

Deel deze pagina