Onderzoekers aan het woord


Dieronderzoek wordt vaak vanuit uitersten besproken, terwijl de praktijk genuanceerder is. Onderzoekers werken dagelijks aan het vervangen, verminderen en verbeteren van dierproeven. Tegelijkertijd is het nog niet altijd mogelijk om volledig zonder diermodellen te werken.

Op deze pagina delen onderzoekers hun persoonlijke visie. Open, feitelijk en gebaseerd op hun dagelijkse praktijk. Zij laten zien welke afwegingen zij maken, hoe actief wordt gezocht naar alternatieven en waarom dieronderzoek soms nog nodig is.

Zo ontstaat een completer beeld van dieronderzoek: ambitieus in het streven naar verandering, en eerlijk over de huidige realiteit.

Ik probeer te begrijpen hoe we onze ervaringen omzetten in kennis over de wereld en hoe slaap dit proces ondersteunt. Hiervoor combineer ik onderzoek bij muizen, ratten, mensen en computationele modellen. Elk van deze benaderingen maakt het mogelijk om met verschillende methoden specifieke aspecten van dit proces te bestuderen. Samen vullen deze benaderingen elkaar aan en helpen ze ons een completer beeld te krijgen van hoe het geheugen werkt.

We gebruiken dierproeven om hersenprocessen die betrokken zijn bij complex gedrag te bestuderen op een detailniveau dat bij mensen niet mogelijk is. Veel van de kennis die we hiermee opdoen, vormt de basis voor ons begrip van het menselijk brein en wordt, waar technisch mogelijk, bevestigd met onderzoek bij mensen. Daarnaast gebruiken we dierproeven voor de ontwikkeling van herseninterface-technologie die mensen met verlammingen of beperkingen van de zintuigen kan helpen.

Als hersenonderzoeker werk ik aan nieuwe behandelingen voor ernstige neurologische aandoeningen, waaronder blindheid. NAMs helpen ons om onderzoek beter en gerichter te maken. Maar om werking en veiligheid in levende hersennetwerken te begrijpen, blijft dieronderzoek soms noodzakelijk. Beide benaderingen versterken elkaar.

In mijn groep onderzoeken we hoe we kunnen zien, en flexibel onze aandacht kunnen richten op voorwerpen die belangrijk voor ons zijn (zoals verkeersborden tijdens het autorijden). Dat proces werkt niet goed in mentale stoornissen als ADHD en depressie. Om dat proces beter te begrijpen werken we met gedragsexperimenten en fMRI in mensen, kunstmatige intelligentie, en geavanceerde beeldvormingstechnieken in resusapen. Grote vooruitgang bereiken we alleen in de combinatie van die technieken.

Met mijn team doe ik onder meer onderzoek naar het belang van spelen voor de ontwikkeling van hersenen en gedrag. Dierproeven naar de impact van beperkingen in spel op jonge leeftijd zijn bijzonder relevant en actueel nu spelen onder druk staat én mentale problemen bij jongeren toenemen. Onderzoek naar spel en hersenontwikkeling bij kinderen is - om ethische redenen - zeer beperkt, terwijl onderzoek naar spel bij dieren en overtuigende en diepgaande kennis oplevert over het belang van spelen.

Onze onderzoeksgroep onderzoekt de biologische oorzaken van neuroontwikkelingsstoornissen om nieuwe kennis te vertalen naar betere zorg voor patiënten. Omdat ziekteprocessen niet altijd hetzelfde zijn bij verschillende soorten, gebruiken we verschillende onderzoeksmethoden naast elkaar, zoals muizen en stamcelmodellen, afhankelijk van de behoeften in de kliniek. NAM's (New Approach Methodologies) en diermodellen zijn geen tegenpolen, maar hulpmiddelen voor het bestuderen van verschillende niveaus van biologische complexiteit. We kiezen steeds de methode die het beste past bij de onderzoeksvraag.

Met geavanceerde preklinische imaging, zoals MRI, draag ik bij aan verantwoord proefdiergebruik door meer informatie uit dezelfde dieren te halen, dezelfde dieren in de tijd te volgen en experimentele variatie te verminderen. Zo verbeteren we de kwaliteit, reproduceerbaarheid en translatie van preklinisch onderzoek.

Proefdieronderzoek is essentieel om de zorg te vernieuwen. Door deze vorm van onderzoek reduceren we de risico's van de zorg bij patienten significant.

Het gebruik van proefdieren is essentieel bij onderzoek naar uitzaaiende kanker. In het bijzonder het bestuderen van dormancy (niet delende vitale tumorcellen) en het terugkeren van tumoren vereist in vivo modellen zoals de muis en rat.

Deel deze pagina