Dierproef niet 1 op 1 vervangen

5 oktober 2017

Onlangs sprak de Vaste Kamercommissie Economische Zaken van de Tweede Kamer in een rondetafelgesprek met belanghebbenden over de ontwikkeling van proefdiervrije onderzoeksmethoden. Wetenschappers die voor het gesprek waren uitgenodigd, legden de parlementariërs uit dat het valideren van proefdiervrije onderzoeksmethoden een langdurig en omslachtig proces is en vaak ook teleurstellend. Het blijkt namelijk dat proefdiervrije onderzoeksmethoden andere uitkomsten geven dan de gebruikelijke dierproeven.

Bovendien zorgen de uitkomsten van beide methoden bij elkaar opgeteld, helaas niet voor het complete plaatje. Ze zijn zich daarentegen bewust van de maatschappelijke verwachtingen op dit gebied en zien het ontwikkelen van proefdiervrije onderzoeksmethoden ontegenzeggelijk als de weg voorwaarts.

Wel vinden zij dat de politiek de samenleving een realistisch tijdpad moet schetsen. Het is in hun ogen niet zinvol te proberen dierproeven 1 op 1 te vervangen door proefdiervrije onderzoeksmethoden. Wel pleitten zij voor coördinatie bij het ontwikkelen van proefdiervrije onderzoeksmethoden. Op die manier wordt voorkomen dat iedereen voor zichzelf aan de slag gaat. Coördinatie alleen is overigens niet genoeg. Daarnaast is samenwerking hard nodig, vooral ook met het buitenland waar eveneens wordt geïnvesteerd in proefdiervrije onderzoeksmethoden. Coördinatie en samenwerking zijn bovendien noodzakelijk om proefdiervrije onderzoeksmethoden op internationaal niveau geaccepteerd te krijgen bij de toelatingsautoriteiten.

Vooral in fundamenteel en biomedisch onderzoek is vervanging buitengewoon complex. Op deze terreinen ontwikkelen onderzoeksmethoden zich razendsnel, zoals dat ook geldt voor de mogelijkheden om weefsels na te bouwen. Wetenschappers werken veel met menselijke cellen, maar dat neemt niet weg dat ook dierproeven nodig zijn. Bovendien is het niet mogelijk sommige orgaansystemen na te bootsen. Dat geldt onder meer voor de hersenen waar heel veel onderzoek wordt gedaan naar de werking en aandoeningen ervan. Dat onderzoek gebeurt bij patiënten, met hersenen van overledenen, maar noodzakelijkerwijs ook met proefdieren.

Afgenomen
In ons land vinden jaarlijks ongeveer een half miljoen dierproeven plaats. De registratie ervan begon nu bijna 40 jaar geleden: in 1978 werden 1.572.534 dierproeven gedaan. In 2015 registreerden de Nederlandse vergunninghouders 528.159 dierproeven. Sinds 1978 is het aantal dierproeven in ons land dus met twee derde verminderd, terwijl in diezelfde periode de totale hoeveelheid onderzoek naar ziekten, en nieuwe mogelijkheden voor preventie, diagnostiek en behandeling fors is gegroeid. Dat heeft geleid tot grote medische vooruitgang en betere gezondheid van mensen. De toegenomen mogelijkheden voor het onderzoek leveren per gebruikt dier ook veel meer informatie op.

Verder is veel bereikt op het gebied van veiligheid, bijvoorbeeld op de werkplek, en (een schoner) milieu. In de afgelopen 40 jaar is bovendien regelgeving gekomen voor de kwaliteit en veiligheid van medicijnen voor dieren.

Het Nederlandse overheidsbeleid is gericht op de bescherming van de dieren en het terugdringen van het aantal dierproeven. Het wordt het 3V-beleid genoemd. Dierproeven zijn volgens de Wet op de dierproeven (Wod) al vanaf 1977 in Nederland verboden, tenzij er geen dierproefvrije alternatieven beschikbaar zijn. De 3V’s staan voor Vervangen, Verminderen en Verfijnen.

– vervanging: een proef (gedeeltelijk) uitvoeren zonder proefdieren;
– vermindering: een proef uitvoeren met minder proefdieren;
– verfijning: een proef zodanig opzetten dat de proefdieren zo min mogelijk last ondervinden.

Bij het opzetten en uitvoeren van dierproeven moeten onderzoekers zich steeds laten leiden door dit beleid. Hierdoor wordt het gebruik van proefdieren teruggedrongen en hun kwaliteit van leven verbeterd. De overheid kijkt hier nauw op toe en hanteert strenge regels. Er zijn verschillende soorten vergunningen nodig. De organisatie die dierproeven uitvoert, heeft een instellingsvergunning nodig en moet vervolgens voor elk project met dierproeven een aparte vergunning aanvragen. Ook is de organisatie verplicht jaarlijks gegevens te verstrekken aan de overheid over de uitgevoerde dierproeven. Hiervan publiceert de overheid jaarlijks landelijke overzichten.

Daar staat tegenover dat diezelfde overheid bepaalde dierproeven verplicht stelt. Een medicijn of product moet veilig zijn voordat het gebruikt mag worden. Testen op dieren zijn nu nog nodig om die veiligheid vast te stellen en daardoor vaak niet te vermijden.

Elke dag worden kinderen ingeënt tegen ernstige ziekten als difterie, tetanus en polio met vaccins die in dierproeven zijn ontdekt en op veiligheid getest. Elke dag gebruiken mensen geneesmiddelen die het leven met reuma, astma, hartritmestoornissen of diabetes dragelijk maken. Of ontvangen zij een nieuwe hartklep of een nieuwe heup, behandelingen die zijn ontwikkeld bij dieren. En regelmatig melden onderzoekers kleine stapjes vooruit in het ontrafelen van ernstige aandoeningen zoals Alzheimer, epilepsie en kanker, en de diagnostiek en behandeling daarvan.

Niet bagatelliseren
Het wetenschappelijke en maatschappelijke belang van dierexperimenteel onderzoek mag niet worden gebagatelliseerd. Waarom worden dierproeven gedaan? Waarom heeft de wetgever ze veelal verplicht gesteld? Wat leveren ze ons op aan kennis over ziekten en mogelijke behandelingen? Wat betekenen ze voor de gewenste veiligheid bij het toelaten van geneesmiddelen en vaccins tot de markt?

Het is belangrijk dat life sciences – de sector die zich richt op de gezondheid van mens en dier – geld, tijd en energie steekt in het ontwikkelen van proefdiervrije onderzoeksmethoden. Deze ontwikkelingen mogen echter geen afbreuk doen aan het besef hoe essentieel de life sciences sector, inclusief de noodzakelijke dierproeven, is voor de gezondheid en het welzijn van mens en dier, de bescherming van het milieu en de wilde fauna, én voor de kenniseconomie.

Wilbert Frieling voorzitter Stichting Informatie Dierproeven.