Bij Vervanging gaat het om het (gedeeltelijk) uitvoeren van een proef zonder proefdieren.
Onder Vervanging vallen methoden waarvoor nog steeds dieren nodig zijn:
En onder Vervanging vallen proefdiervrije methoden. Enkele voorbeelden:
Een goed voorbeeld van een alternatief dat in het onderwijs gebruikt wordt, is het gebruik van de binnenband van een fiets. Studenten die moeten leren hechten, oefenden dat vroeger op dieren. Tegenwoordig gebruikt men hier fietsbanden voor. In die fietsbanden maakt men een snede. Deze snede moet een wond voorstellen. De studenten hechten deze snede vervolgens dicht. Zo kunnen zij de technieken goed oefenen. De fietsband is een prima vervanging voor een proefdier.
Voorbeeld 2: KunstratOok zijn er voor het onderwijs 'levensechte' kunstdieren ontwikkeld zoals een rat. Studenten kunnen hierop leren opereren.
Vroeger werd onderzoek naar de effecten (huidbeschadiging en huidirritatie) van stoffen op de huid, getest op konijnen. Dankzij de nieuwste technieken kunnen we dit type onderzoek nu doen op menselijke huidcellen in het laboratorium. Als de stoffen geen of nauwelijks effect blijken te hebben, wordt het onderzoek voor de zekerheid nog met konijnen gedaan. Dit zijn dan dus alleen niet-agressieve stoffen.
Een onderzoeker bij TNO, Menk Prinsen, ontwikkelde in 2010 een proefdiervrije methode om de veiligheid van (chemische) stoffen op ogen te testen. Voorheen werd de ‘oogirritatietest’ (ook wel Draize eye test) uitgevoerd op konijnen. Deze test is sterk bekritiseerd vanwege het ongerief bij de proefdieren, maar ook omdat de verschillen tussen een oog van een mens en die van een konijn zodanig zijn dat de resultaten niet goed zijn te vergelijken.
Prinsen ontdekte dat je dezelfde test kunt doen met het hoornvlies van geslachte kippen. Een hoornvlies blijkt namelijk nog lang na overlijden te reageren op chemische prikkeling. Bovendien is de schade aan een kippenoog direct te vertalen naar de effecten op menselijke ogen. Kortom: de methode voorkomt leed van proefdieren, met behoud van de wetenschappelijke validiteit. OESO heeft deze methode geaccepteerd: er mogen geen dierproeven meer worden gedaan om de veiligheid van (chemische) stoffen (zoals schoonmaakmiddelen) op ogen te testen.
Prinsen ontving voor deze methode de Hugo van Poelgeestprijs 2010, vernoemd naar een voormalig voorzitter van de Dierenbescherming. De prijs wordt eens in de vier jaar toegekend aan een onderzoeker die een proefdiervrije methode heeft ontwikkeld met behoud van wetenschappelijke en praktische waarde.
Celbioloog Abdoel El Ghalbzouri van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) heeft een menselijk huidmodel ontwikkeld, waarmee de reactie van chemische stoffen op de huid kan worden getest. Dierproeven met varkens, konijnen en muizen zijn hierdoor niet langer nodig. Het huidmodel bestaat uit menselijke huid, afkomstig van cosmetische klinieken. Onderzoekers van het LUMC snijden de huid in stukjes en scheiden de levende huidcellen. Deze worden gekweekt. Na een aantal weken vormen deze cellen een levend huidmodel, dat gebruikt kan worden voor onderzoek naar onder meer wondgenezing en littekens. In 2008 ontving El Ghalbzouri de ’Lef in ’t Lab’-prijs, een initiatief van de Dierenbescherming.
Bekijk een filmpje over het huidmodel van Proefdiervrij:
Voordat een nieuw vaccin op de markt mag komen, moet de veiligheid ervan worden getest. In het verleden werd een difterievaccin in cavia’s getest. Cavia’s met deze dodelijke infectieziekte kregen het vaccin ingespoten. Zo konden de onderzoekers bepalen of de ziekte zich bij hen ontwikkelde. Deze studie zorgt voor ernstig ongerief bij de cavia’s. Tegenwoordig kan hetzelfde onderzoek worden gedaan met een weefselkweekmethode in het laboratorium.