Bij Vermindering gaat het om het doen van proeven met minder proefdieren. Voorbeelden van dit soort methoden zijn:
Onderzoekers willen de giftigheid van een nieuw medicijn testen en kunnen daarvoor soms gebruikmaken van methoden waarvoor minder proefdieren nodig zijn. Bijvoorbeeld:
Als deze methoden uitwijzen dat het middel giftig is, mag het niet meer worden getest op dieren. Dit voorkomt dat dieren gebruikt worden voor het testen van stoffen die sowieso giftig blijken.
Om de groei van een tumor in het lichaam van een proefdier te volgen, waren vroeger meerdere proefdieren nodig. Een proefdier moest immers worden gedood om de tumor in het lichaam te kunnen bestuderen.
Een MRI-scan is een techniek die het inwendige lichaam in beeld brengt. Dankzij deze methode zijn voor giftigheidsonderzoek minder proefdieren nodig, want de tumorgroei kan nu bij één proefdier in verschillende fasen in beeld worden gebracht.
Dankzij de nieuwste technieken is het al mogelijk op hele kleine hoeveelheden bloed (bloedmonster)-analyses te doen. In het verleden was 300 microliter nodig voor één bloedmonster. Nu is 150 of zelfs 100 microliter voldoende. Bij ratten en muizen kan maar beperkt bloed worden afgenomen. Doordat we nu minder bloed nodig hebben voor één bloedmonster, kunnen twee tot drie keer zoveel bloedmonsters van één proefdier worden afgenomen.