Hoger beroep CRO tegen CCD

21 december 2017

In mei 2015 heeft een Contract Research Organisatie (CRO) een projectvergunning bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) aangevraagd voor onderzoek naar het respiratoir syncytieel virus (RSV). Voor dit onderzoek wil zij in vijf jaar 9000 vrouwelijke muizen gaan gebruiken. De CCD heeft de vergunning gegeven op voorwaarde dat het bedrijf evenveel mannelijke als vrouwelijke muizen zou gaan gebruiken om een fokoverschot te voorkomen.

De CRO is in bezwaar en uiteindelijk zelfs in hoger beroep gegaan. Omdat het model in mannetjesmuizen minder duidelijk is, zouden volgens de CRO 9000 mannelijke muizen onnodig gebruikt en gedood moeten worden. Het bedrijf heeft in zijn verweer aangegeven dat het niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor een fokoverschot bij een fokbedrijf. Andere bedrijven hebben misschien juist alleen mannelijke muizen nodig.

De rechtbank heeft deze argumenten zwaarder laten wegen dan die van de CCD. Voor het door de CCD ingenomen tegenovergestelde standpunt, namelijk dat de dierproeven zonder bezwaren met muizen van beide geslachten kunnen worden uitgevoerd, is volgens de rechtbank in de uitspraak op 6 december jl. geen wetenschappelijke onderbouwing aangedragen. Onder deze omstandigheden kon de CCD niet in redelijkheid gebruikmaken van de haar in artikel 10a1, tweede lid, van de Wod toegekende bevoegdheid en aan de projectvergunning het voorschrift verbinden dat mannelijke en vrouwelijke muizen bij de dierproeven in evenredige verhouding moeten worden gebruikt.

Dit is een belangrijke uitspraak voor vergunninghouders. Als zij het gebruik van slechts één geslacht goed kunnen onderbouwen, kan de CCD niet langer als voorwaarde stellen dat beide geslachten moeten worden gebruikt.