Een dierproef is een proef op levende gewervelde dieren, die daarbij ongerief ondervinden. Met ongerief bedoelen we niet alleen pijn, maar ook stress, alleen zijn, angst en ziekte.
De belangrijkste reden is: voor de gezondheid van mens en dier. Dierproeven leren ons hoe ons lichaam en dat van dieren in elkaar zit en functioneert. We testen zo de veiligheid van nieuwe medicijnen en behandelmethoden. En de veiligheid van voedingsmiddelen en huishoudelijke producten. Lees meer.
Dankzij dierproeven is veel kennis over ons eigen lichaam en dat van dieren vergaard. Met deze kennis zijn onder meer medicijnen en vaccins ontwikkeld tegen ziekten. Sommige ziekten zijn hierdoor zelfs helemaal verdwenen. In onze tijdbalk staan de belangrijkste ontwikkelingen op een rijtje.
De Stichting Informatie Dierproeven is geen voorstander van dierproeven. Niemand is dat eigenlijk. Zelfs onderzoekers niet. Wij zien dierproeven als een noodzakelijk kwaad. Tenminste, zolang er geen alternatieven voorhanden zijn die dierproeven volledig kunnen vervangen. Klik hier voor standpunten en meningen van anderen.
In Nederland zijn er vier soorten proefdieren.
In 2009 was de verdeling als volgt:
- gewone dieren: gewervelde dieren die speciaal gefokt zijn (83%)
- genetisch gemodificeerde dieren (14%)
- dieren die in het wild leven maar bestudeerd worden in hun eigen omgeving (2%)
- dieren die in het wild leven maar onderzocht worden in het laboratorium (1%)
In Nederland mogen alleen proeven worden gedaan met speciaal gefokte laboratoriumdieren. Sommige laboratoria fokken de proefdieren zelf, andere kopen ze in bij gespecialiseerde fokbedrijven (in het buitenland) of verkrijgen de dieren via collega-onderzoekers.
In 2009 zijn proeven gedaan met 583.088 proefdieren. De top 3 van de meest gebruikte dieren is:
- Muizen (47%)
- Ratten (24%)
- Kippen (14%)
Weten waarom deze dieren zo geschikt zijn voor onderzoek? Klik hier.
In Nederland spreken we bij dierproeven niet over pijn, maar over 'ongerief'. Daarmee bedoelen we niet alleen pijn, maar ook stress, alleen-zijn, angst of ziekte. In 2009 was bij 89% van de dierproeven sprake van gering tot matig ongerief. Zeer ernstig ongerief komt in Nederland heel weinig voor (0,01%).
De meeste dieren sterven of worden gedood ten behoeve van de proef (86%). Dit is vaak nodig om hun weefsels en organen te kunnen onderzoeken. 10% van de proefdieren blijft na de proef in leven. Deze dieren worden ingezet voor een volgende proef of teruggebracht naar de stal of boerderij waar ze vandaan komen. De overige 4% van de proefdieren wordt na de proef gedood omdat er geen passende bestemming is.
De overheid vindt dat dierproeven alleen gedaan mogen worden als daarvoor goede en duidelijk omschreven redenen zijn en als er geen alternatief mogelijk is. Regels die met dierproeven te maken hebben staan in de Wet op de dierproeven. Deze wet is er om het welzijn van dieren te beschermen, richtlijnen voor proeven vast te stellen en om ervoor te zorgen dat alleen deskundigen proeven mogen uitvoeren.
Er zijn mensen die het gebruiken van dieren, voor welk doel dan ook, hoe dan ook afwijzen. Dat is een te respecteren standpunt. Anderen vinden het gebruik van dieren onder voorwaarden aanvaardbaar.
De Verklaring van Helsinki, die in 1964 is aanvaard door de 18e World Medical Assembly stelt dat medisch onderzoek op mensen gebaseerd moet zijn op gedegen laboratoriumonderzoek en dierexperimenteel onderzoek. Internationale en nationale overheden stellen dierexperimenteel onderzoek daarom wettelijk verplicht voordat geneesmiddelen, vaccins of andere medische stoffen bij mensen mogen worden toegepast.
Mens en dier hebben grote anatomische, fysiologische en genetische overeenkomsten. Daarom geven dierproeven belangrijke aanwijzingen over wat bij mensen te verwachten valt. Het is een groot misverstand dat dierproeven worden gedaan om de werking en bijwerkingen van een nieuw medicijn bij mensen te testen. Dit kunnen we namelijk alleen onderzoeken door het medicijn daadwerkelijk bij mensen toe te passen. Dierproeven doen we uitsluitend om de veiligheid van het medicijn te bepalen; bijvoorbeeld of het niet giftig of kankerverwekkend is.
Er wordt steeds meer onderzoek gedaan naar alternatieve, proefdiervrije onderzoeksmethoden. Op het moment dat een proefdiervrije methode net zo betrouwbaar en effectief blijkt als een dierproef, mag de dierproef niet langer worden gedaan. Voorbeelden van proefdiervrije onderzoeksmethoden vind je hier.
Docenten kunnen voor een lespakket over dierproeven contact zoeken met Codenamefuture: www.codenamefuture.nl
Voor al je vragen kun je terecht bij de Stichting Informatie Dierproeven via info@informatiedierproeven.nl Ook kun je bij ons kosteloos de brochure Dierproeven. Zo doen ze dat! aanvragen. Daarin vind je alle feiten en cijfers over dierproeven en proefdieren in Nederland. Vraag de brochure aan voor jezelf of voor je hele klas.