Portfolio: Hoofdgroepen

Europa evalueert de Dierproevenrichtlijn 2010/63

17 november 2017

De Dierproevenrichtlijn 2010/63 werd vastgesteld in 2010 en diende in 2013 in de nationale regelgeving van de lidstaten te zijn geïmplementeerd. De voorganger dateerde uit 1986. Vernieuwing was nodig om de volgende ambities te realiseren:

  • betere bescherming van dieren die gebruikt worden voor wetenschappelijke doeleinden
  • betere harmonisatie van regelgeving in Europa (level playing field)
  • bevordering van de ontwikkeling en implementatie van 3V-alternatieven (Vervanging, Vermindering en Verfijning)
  • meer transparantie over dierproeven en alternatieven.

Vanaf 2010 zijn er verschillende aanbevelingen opgesteld. Deze aanbevelingen zijn te vinden op de website van de EU. In de Dierproevenrichtlijn stond aangegeven dat de evaluatie van de aanbevelingen beschikbaar moest zijn in november 2017. De Europese Commissie heeft de implementatie van de Dierproevenrichtlijn in de diverse lidstaten onderzocht en vragenlijsten uitgezet bij de lidstaten, bij de vergunninghouders en bij maatschappelijke organisaties. Verder werd gekeken naar het gebruik van niet-humane primaten en de stand van zaken rond vervangingsalternatieven, met name in het kader van wettelijk vereiste veiligheidstesten.

Velen vinden dat de evaluatie relatief vroeg in het transitieproces gehouden is. Desalniettemin zijn er wel bevindingen over een aantal van de nieuwe elementen in de richtlijn die als positief worden gezien. Dat zijn met name: minimale standaarden voor de huisvesting en verzorging van dieren, het vereiste van een dierenarts met expertise op het gebied van proefdiergeneeskunde bij elke vergunninghouder en de instelling van een Instantie voor Dierenwelzijn bij de vergunninghouders, hetgeen wordt gezien als een belangrijke aanjager van een culture of care.

Landen met een stevige infrastructuur op dit gebied hadden minder te doen dan landen waar bijvoorbeeld nog geen ethische toetsing plaatsvond. De grootste divergenties betreffen de inrichting en uitvoering van het proces van vergunningverlening voor projecten.
De richtlijn stelt eisen met betrekking tot de 3V’s, maar ook daar zijn grote verschillen zichtbaar bij de verschillende landen. Bijvoorbeeld de mate waarin daaraan aandacht wordt besteed bij vergunningverlening en de participatie in internationale werkverbanden et cetera. Een aantal landen heeft geïnvesteerd in kennisinfrastructuur en eigener beweging gerapporteerd over 3V’s. Dat zijn met name grote geïndustrialiseerde landen met een goede researchinfrastructuur.

De transparantie over dierproeven is aanzienlijk versterkt door de publicatie van niet-technische samenvattingen over vergunde projecten en door de uniforme statistische rapportage met nieuwe elementen zoals de mate van ongerief voor de dieren. De niet-technische samenvattingen verschillen echter sterk in kwaliteit, zijn vaak te technisch en geven vaak vooral hoge verwachtingen over de baten van het project.
Pas in 2019 zal Europa weer een rapportage over heel Europa uitbrengen, dan wordt ook de evaluatie van de richtlijn voortgezet.

De richtlijn als zodanig wordt gezien als een grote stap vooruit. Echter, er is allerminst sprake van een level playing field. Sommige lidstaten hebben nog striktere regels toegevoegd, hetgeen volgens de richtlijn niet is toegestaan. Ook hebben sommige landen oude en nieuwe regels ‘gestapeld’ waardoor de bureaucratische lastendruk aanzienlijk is toegenomen.

Tot slot: de betere bescherming van proefdieren, de 3V’s en de transparantie zijn duidelijk bevorderd door de Dierproevenrichtlijn, maar de verschillen tussen lidstaten zijn nog steeds groot. De evaluatie geeft geen aanleiding tot herziening van de richtlijn, maar identificeert wel aandachtsgebieden voor betere implementatie.

Meer officiële documenten over de Dierproevenrichtlijn zijn te vinden via deze link.